maandag 10 juni 2013

“Out of the Box” denken en doen: neem de cliënt als uitgangspunt!

Naar aanleiding van de column “Durft u “out of the box” te denken en doen!, heb ik mooie reacties ontvangen van mensen werkzaam in de zorg (en aanpalende terreinen) die het gewoon doen. Dit sterkt mij in de overtuiging dat we met deze manier van denken en doen de goede weg op gaan. In ZorgBV Nederland merk ik dat velen het met deze denkwijze eens zijn, maar het lastig vinden om het ook echt te gaan doen. Het is lastig om anders te gaan werken als je gewend bent, en zeker om zelf daar een start mee te maken en het niet (geheel) binnen de geldende regels past. Maar diegene die wel durven te doen, moeten dat vooral blijven doen en uitdragen. Bij vernieuwing en innovatie is er altijd een kleine groep die voorop loopt, de meerderheid die er achter aan komt en een kleine minderheid van achterblijvers.
Concrete voorbeelden van hoe de cliënt centraal kan worden gesteld, maakt het misschien tastbaarder om zelf ook stappen in deze richting te ondernemen, ieder vanuit zijn eigen kennis en expertise. In deze column aandacht voor de wijze waarop Femke van Trier-Klijnstra denkt en doet in de jeugdzorg, een mooi voorbeeld, wie volgt?

Auteur: Femke van Trier-Klijnstra

Ook de jeughulpverlening heeft te maken met gefragmenteerde zorg rondom de cliënt/zorgvrager, ook wel 'gefragmenteerde struikelzorg' genoemd. Cliënten struikelen over de breuklijnen in de zorgorganisaties en de daarmee samenhangende financieringssystemen. In de totale keten van jeugdhulpverlening ligt de meerwaarde niet alleen in de kwaliteit van de losse schakels, maar juist in de verbinding, de ketting. Doorontwikkeling van  deze hulpverlening geschiedt door het zoeken naar verbeteringen in de verbindingen tussen de verschillende hulpverleningsfragmenten. Met andere woorden, de jeudhulpverlening vraagt om regie. We moeten met zijn allen onze verantwoordelijkheid hierin nemen en de cliënt als zorgvrager als uitgangspunt nemen. Laat je niet het bos insturen door de vele procedures, bureaucratie, en verschillende betrokken instanties, je moet je blijven richten op het oplossen van het probleem waarmee je bezig bent!

In de hulpverlening aan kinderen en hun ouders, zeker in de leeftijdsgroep 0 t/m 4 jarigen, is sprake van een enorme versplintering van betrokken organisatie/instanties, zoals huisarts, Bureau Jeugdzorg, Pleegzorg, GGZ, Thuiszorg, Algemeen Maatschappelijk Werk, De Tussenvoorziening, Consultatiebureau, kinderafdeling ziekenhuis, behandelaar ouders, Stichting Beschermd Wonen Utrecht of Kwintes (woonbegeleiding, schuldhulpverlening, UWV-uitkeringsinstantie, Woningbouwvereniging), Homestart, KDV. Vooral bij de wat complexere problematieken, zijn diverse instanties/hulpverleners betrokken.  Zeker bij een jong kind, met een reflux of voedingsproblemen, veel huilen en angstige ouders, een moeder met bekkeninstabiliteit, een vader die vanwege slechte jeugdervaringen therapie nodig heeft voor zijn PTSS, in de ziektewet zit en er schulden zijn. En dit zijn geen uitzonderingen. Het grotere gevaar bij deze problematieken is dat zorgvrager verzandt in het web van een versnippert hulpverleningsnetwerk en het probleem niet wordt opgelost of zelfs verergert.

Ik ben er van overtuigd dat de crux voor een goede hulpverlening (en daarmee beste gezondheidsuitkomst) zit in: dat een ieder de cliënt/zorgvrager als uitgangspunt moet nemen, en niet de instelling of de methodiek. De afstemming tussen de verschillende onderdelen van de zorg vraagt wel vertrouwen in wat andere instellingen kunnen betekenen in het geheel van de zorgverlening. Rond de cliënt komt de samenwerking en afstemming tot uitdrukking in een regelmatig terugkerend zorgoverleg van betrokkenen samen met de cliënten eens in de 2 à 3 maanden. Ieder weet waaraan wordt gewerkt en kent zijn eigen verantwoordelijkheden, deskundigheden èn grenzen daarin. En elkaar informeren en blijven informeren: met toestemming van de cliënt.

Goede afstemming tussen de Geestelijke Gezondheidszorg (GGz) en eerstelijnszorg vraagt niet een 'tulband model' met een gat in het midden waar de GGz in wegvalt, maar het 'taartpunt model' met een brede eerstelijns basiszorg en tegelijkertijd een puntje GGz met een bindende crème aan elkaar verbonden, zelfs als de ingrediënten verschillende bekostiging hebben. Beter afgestemde zorg tussen Bureau Jeugdzorg afdeling Jeugdbescherming en Infant Mental Health behandeling (IMH) met inzetten van een vrijwillig (onbezoldigd) meeleefgezin zal ertoe bijdragen dat het aantal "uitbuik'plaatsingen en uithuisplaatsingen zal afnemen. Ook het Advies Meldpunt Kindermishandeling (AMK) ziet de positieve resultaten van IMH-behandeling en is enthousiast over het concept MeeleefGezin. Zij stuurden een brandbrief naar GGz-Nederland voor uitbreiding van capaciteit. Uithuisplaatsing voorkòmen zal leiden tot directe kostenbesparingen van minstens € 25.000 voor 1 kind 1 jaar pleegzorg. Laat staan als de 'uitbuik'plaatsing definitief wordt! Daar bovenop komt een extra besparing op specialistische behandeling in de pleegzorg voor de hechtingsstoornissen en trauma's die het gevolg zijn van de vele verplaatsingen van het kind in de pleegzorg.

Als er sprake is van psychiatrische problemen bij aanstaande ouders zal IMH-behandeling in combinatie met een vrijwillig (onbezoldigd) meeleefgezin al tijdens de zwangerschap moeten starten. Als dit in goede samenhang wordt aangepakt, waarbij de steunbehoefte en behandeling van de problemen van de zorgvrager als uitgangspunt worden genomen, kan uithuis/buik/plaatsting en emotionele gevolgschade voor het kind worden voorkomen. 
Een kind heeft recht op het veilig mogen opgroeien bij de eigen ouders. Diverse onderzoeken tonen aan dat daar het belang van het kind ligt. Liever daarin vooruit investeren dan achteraf duurdere zorg noodzakelijk maken om het kind te leren leven met de pijn van het verlies.

Dat geeft de beste zorguitkomsten en gezondheid voor deze specifieke doelgroep van de jongste burgers in de maatschappij. Ook zij kunnen op die manier met hun ouders net als andere burgers deelnemen aan de civil society. Wie volgt?

maandag 3 juni 2013

Schoenmaker blijf bij je leest!

De Nederlandse huisarts als zorginkoper van de zorg, zoals in Groot- Brittannië, een goed idee?

In Nederland is de zorg gefragmenteerd rondom de zorgvrager, ook wel 'gefragmenteerde struikelzorg' genoemd. Vooral bij patiënten met een chronische aandoening is dit een groot probleem. Zij struikelen over de breuklijnen van de zorgorganisaties en de daarmee samenhangende financieringssystemen. Zorginhoudelijk staat de Nederlandse zorg op een hoog niveau. In de totale zorgketen ligt de meerwaarde niet alleen in de kwaliteit van de losse schakels, maar juist in de verbinding, de ketting. Doorontwikkeling van zorg geschiedt door het zoeken naar verbeteringen in de verbindingen tussen de verschillende zorgfragmenten. Met andere woorden, de zorg vraagt om regie!

De huisarts als regisseur en zorginkoper van de zorg, zoals recentelijk ingevoerd in Groot- Brittannie, lijkt een interessante gedachte. De afgelopen jaren zijn daar, in een beperkt aantal regio's, huisartsen (in consortia) grotendeels gaan bepalen hoe het zorgbudget binnen de gezondheidszorg wordt besteed. Sinds kort mogen alle Britse huisartsen dit. Baanbrekend is dat huisartsen niet meer verplicht zijn NHS-instellingen te contracteren. Nu ook private instellingen kunnen worden gecontracteerd, wordt de NHS onder druk gezet om betere zorg te verlenen en bijvoorbeeld wachtlijsten te reduceren. De vraag is echter of die taak wel goed geborgd is bij huisartsen, die naast zorgaanbieders ook ineens zorginkopers moeten zijn?

In de gedachte 'money follows patients' is het helemaal zo gek nog niet om georganiseerde huisartsen naast de inhoudelijke regie ook de zorginkoop te laten doen. De huisarts aan het stuur van de zorg als zorginkoper en regisseur. Geld is namelijk een belangrijke incentive om zorg te sturen. Echter, een dergelijke rolverschuiving - en zeker ook taakverzwaring - heeft bijzonder veel impact op de rollen die huisartsen spelen, de inhoud van het vak, maar ook op de organisatie van de praktijk. Naast de rol die de huisarts zou moeten blijven vervullen als huisdokter (vertrouwd, persoonlijk en continu) voor de generalistische zorg, zal de rol van regisseur, coördinator en zorginkoper het vak ingewikkelder en onoverzichtelijker maken. Daarbij kan de vraag worden gesteld of de zorginkooptaak niet om geheel andere expertise en competenties vraagt dan waar een huisarts voor is opgeleid.

In Nederland is de zorgverzekeraar zich de laatste jaren meer gaan toeleggen op zorginkoop. Naast zorginhoudelijke expertise, zijn hiervoor bedrijfskundige en financiële expertise van belang. De 'black box' van de zorgaanbieders wordt langzaam geopend, door toenemende eisen ten aanzien van transparantie door prestatie-indicatoren, benchmarks en de mogelijkheid van selectieve zorginkoop. De laatste jaren leken zorggroepen (georganiseerde huisartsen) de rol van zorginkoper van keten-DBC's (DM, COPD en CVRM) te gaan vervullen, maar dit is nooit echt van de grond gekomen. Zorggroepen kunnen inhoudelijke (multidisciplinaire) zorgpaden ontwikkelen en afspraken maken over wie, wanneer, welke (kwaliteit van) zorg levert in een bepaald zorgpad (redeneren vanuit de zorginhoud). De financiële afspraken en afwikkeling daarvan kunnen dan gewoon bij de verzekeraar (zorginkoper) plaatsvinden. Hiermee houd je de rol van zorginkoop in één hand houdt - versnippering betekent verhoging van administratieve lasten. Bovendien is het de vraag of de zorginkooprol niet gescheiden moet blijven van de rol als zorgaanbieder. Door gescheiden rollen houdt men elkaar scherp, in de zin dat het gesprek wordt gevoerd over welke zorg, met welke kwaliteit, tegen welke prijs wordt geleverd.

Twee zaken moeten los van elkaar worden gezien: de rol van zorginkoper (de euro's) en de wijze waarop de inhoudelijke regie kan worden gevoerd in de zorg. De huisarts wordt vaak genoemd als de aangewezen persoon om de regie te nemen over de zorg van zijn/haar patiënten. Voor een groot deel van de patiëntenpopulatie is de huisarts daar waarschijnlijk inderdaad de meest geschikte persoon voor. De vraag is wie de regie zou moeten krijgen in de zorg. Logisch zou zijn de regie daar te leggen, wat logisch volgt uit het ziekteproces van patiënten. Voor mensen met veel, meestal eenvoudiger frequent voorkomende aandoeningen lijkt de huisarts de aangewezen regisseur, voor mensen met bijvoorbeeld nierfalen, wat zeldzamer en ingewikkelder is, lijkt de internist de meer aangewezen regisseur. Verschillende zorgprocessen/patiëntengroepen vragen mijns inziens om verschillende beroepsbeoefenaren die de regie nemen.

De huisarts als regisseur van de inhoudelijke zorg lijkt mij in veel gevallen zeker aanbevelingswaardig. Maar de zorginkoop en financiële afwikkeling kan beter gescheiden plaatsvinden bij de zorgverzekeraar, die daarvoor de expertise en organisatie heeft. 
De Britse huisarts als zorgaanbieder en zorginkoper is een interessante gedachte, maar voor Nederland zou ik zeggen: schoenmaker blijf bij je leest!

Yvonne van Kemenade
(Gepubliceerd in digitale nieuwsbrief Zorgmarkt, 30 mei 2013)

maandag 13 mei 2013

Afschaffen restitutiepolis: angst of argument?

Een nieuw vraagstuk dat is ontstaan gaat over het afschaffen van de restitutiepolis. De recente aanleiding was het niet-contracteren door Achmea van het Slotervaart ziekenhuis. In de media zijn vanuit verschillende invalshoeken reacties hierop verschenen. Maar waar gaat deze discussie voornamelijk over? Kort gezegd: wat is het bestaansrecht van de in de Zorgverzekeringswet opgenomen restitutiepolis en het recht van restitutie van - een gedeelte van - de kosten van een niet gecontracteerde aanbieder in ‘natura polis'?

Bekend is dat de minister van VWS voorstander van het afschaffen van de restitutiepolis. Het wetsvoorstel dat zij in voorbereiding heeft, moet nog in de Tweede en Eerste Kamer worden besproken. Een eerste vraag die moet worden beantwoord is of dit besluit Europees rechtelijk houdbaar is. Stel dat dit zo is, dan kan de balans vanuit verschillende invalshoeken worden opgemaakt. De vraag is namelijk wat de werkelijke motivatie tot afschaffen of handhaven voedt: domineert emotie (angst) of ratio (argument)? Is er ruimte voor een natuurlijk verlopend proces, en durven we daarop te vertrouwen? 

Alles op een rijtje 
Op de zorgmarkt is de hoofdrol weggelegd voor de driehoek: zorgverzekeraar, zorgaanbieder en  zorgconsument. Wat is voor ieder van deze spelers het eerste effect van wel of geen restitutiemogelijkheid?

1. Geen restitutiepolis/mogelijkheid van restitutie binnen een naturapolis:
  • De zorgverzekeraar: versterking van de zorginkooprol van de verzekeraar om alles bepalend te mogen zijn door middel van (selectieve) zorginkoop, verzekerde mogen alleen naar gecontracteerde zorgaanbieders. 
  • De zorgaanbieder: alleen als een zorgaanbieder een contract heeft met de verzekeraar, krijgen zorgconsumenten de zorg vergoed. Voor een zorgaanbieder zonder contract staat de continuïteit van de bedrijfsvoering (bestaansrecht) onder druk.
  • De zorgconsument: behoudt de keuzevrijheid voor zorgaanbieders, door de mogelijkheid van keuzevrijheid/overstappen van verzekeraar, maar de keuzevrijheid van de directe keuze voor een zorgaanbieder wordt ingeperkt.
2. Wel restitutiepolis/mogelijkheid van restitutie binnen een naturapolis:
  • De verzekeraar: mag selectief zorginkopen, maar moet toch de ook niet gecontracteerde zorg (deels) vergoeden aan de verzekerde. De verzekeraar kan ook alleen een restitutiepolis aanbieden en kan er dus voor kiezen geheel geen zorg in de kopen/contracteren.
  • De zorgaanbieder: heeft ook zonder contract met de verzekeraar bestaansrecht, als de consument maar zorg bij hem afneemt.
  • De zorgconsument: heeft volledige keuzevrijheid en mag zelf bepalen naar welke zorgaanbieder hij/zij gaat (ook niet gecontracteerde zorg), al dan niet volledig vergoed (gerestitueerd). 

Wat brengt het de zorgconsument?


Voor de zorgconsument gelden als belangrijkste criteria:  
1. kwaliteit van zorg, gerelateerd aan kosten;  
2. keuzevrijheid.

Bij hanteren van de restitutiepolis is de keuzevrijheid van de cliënt voor een zorgaanbieder groter. De kosten van een zelfgekozen zorgaanbieder (met/zonder contract) worden (deels) vergoed door de verzekeraar. De vraag is hoe reëel deze keuzevrijheid is gezien het feit dat de keuze voor een ziekenhuis of medisch specialist voornamelijk afhangt van verwijzing door huisartsen, reistijd (bereikbaarheid) en imagovorming (mond-op-mond-reclame). 
Kijkend naar de kosten zijn er steevast de geluiden dat de (administratieve) uitvoering van een restitutiepolis duurder is dan die van een naturapolis. Ook onderhandelt de zorgverzekeraar bij een naturapolis met zorgaanbieders over de kosten (naast kwaliteit). Onder andere door benckmarks hebben verzekeraars deze rol geprofessionaliseerd, met als gevolg meer kostenbeheersing. 

Wat is het effect op de kwaliteit? Door selectieve zorginkoop eist de verzekeraar betere kwaliteit. De volumenormen van bijvoorbeeld CZ heeft een dergelijke beweging op gang gebracht. Er verschijnt licht in de blackbox van zorgkwaliteit. De mogelijkheid van selectieve zorginkoop is een van de middelen om zorgaanbieders in beweging te krijgen. Dit houdt de aanbieder scherp. 

Let wel, afschaffen van de restitutiepolis vraagt om duidelijkheid voor de zorgconsument over welke zorg is gecontracteerd, geen tussentijdse wijzigingen en de mogelijkheid om van verzekeraar te wisselen mochten er wel wijzigingen optreden. Als dit in het contract helder is, komen we aan de essentie van keuzevrijheid. 

Hoezeer wil de overheid dit keuzegedrag sturen via regelgeving over de polissen? Niet dat gezondheid met een auto te vergelijken is, toch om de technische gedachte scherp te krijgen: bij autoschade restitueert de verzekering de kosten bij een gecontracteerde garage, of het schadebedrag wordt uitgekeerd en de verzekerde betaalt zelf. Dit vinden alle betrokken partijen gewoon en werkbaar. De keuze voor een eigen schadeherstelbedrijf is mogelijk, toch wordt daar in de praktijk beperkt gebruik van gemaakt. 

De vraag blijft, onzes inziens, dan ook of er buiten emotie (angst?) argumenten van doorslaggevende betekenis zijn om de restitutiepolis op te heffen. Waarom forceren? Wat is er tegen ruimte en vertrouwen in een natuurlijke proces?   

Dr. Yvonne van Kemenade en dr. Liliane Hopstaken MA, eigenaar Eye-light (organisatie- en bestuursadvies)
(Gepubliceerd in digitale nieuwsbrief Zorgmarkt, 6 mei 2013)

maandag 29 april 2013

Durft u “out of the box” te denken en doen!


Proefondervindelijk met elkaar komen tot de beste zorg en gezondheid.

De zorgkosten groeien ieder jaar en blijven fors groeien als we zo doorgaan. Bij beheersing van de kosten(stijging) zal moeten worden nagedacht over cruciale veranderingen in de organisatie en de bekostiging van de zorg. Hier zijn wij met zijn allen verantwoordelijk voor. Wat zijn uw ideeën over de toekomst van de zorg en durft u het oude los te laten om echt tot veranderingen te komen?

In Nederland is de kwaliteit van de (afzonderlijke) zorg(onderdelen) goed te noemen. De verbetering zit hem dan ook in de afstemming en de coördinatie tussen de afzonderlijke onderdelen van de aangeboden zorg. Want de zorg in Nederland is gefragmenteerd rondom de zorgvrager, ook wel “gefragmenteerde struikelzorg” genoemd. Vooral bij patiënten met een chronische aandoening is dit een groot probleem. Zij struikelen over de breuklijnen in de zorgorganisaties, en de daarmee samenhangende financieringssystemen. In de totale zorgketen ligt de meerwaarde niet alleen in de kwaliteit van de losse schakels, maar juist in de verbinding, de ketting. Doorontwikkeling van  zorg geschiedt door het zoeken naar verbeteringen in de verbindingen tussen de verschillende zorgfragmenten. In het kort komt het erop neer dat (naast de angst voor verlies van autonomie) bestaande organisatorische, financiële en culturele schotten tussen de diverse zorgaanbieders zouden moeten worden beslecht (zie bijgaand filmpje: http://youtu.be/Nlxid4nL7Ic).

Dit is makkelijker gezegd dan gedaan. Er zijn diverse scenario’s denkbaar en mogelijk, afhankelijk van de regionale situatie/context. De wijze van bekostiging van de zorg(onderdelen) speelt hierbij een cruciale rol. Deze moet dusdanig worden vormgegeven dat er een goede balans ontstaat tussen de intrinsieke en extrinsieke motivatie van zorgprofessionals, om betere gecoördineerde en afgestemde zorg te gaan verlenen. Hiervan is geen blauwdruk te geven. Door in verschillende regio’s, verschillende bekostigingswijze vorm te geven, te monitoren, bij te stellen, van elkaar te leren e.d. en te onderzoeken of het tot de gewenste zorgdoelstellingen (kwaliteit van zorg, gezondheidsresultaten) leidt, zal proefondervindelijk tot een gebalanceerde bekostigingswijze worden gekomen.
Centraal bij deze veranderingen staat dat: de bekostiging van zorg gericht moet zijn op het stimuleren van verbetering van de kwaliteit van de geleverde zorg, en de daaraan verbonden (gezondheids)resultaten van totale zorgprocessen rondom patiënten, en kosten. Dit wordt ook wel uitkomstbekostiging genoemd.

Hoewel er, zoals gezegd, zeer veel verschillende proeftuinen mogelijk zijn, wil ik de volgende gedachten met u delen. Stel u zit in een regio, waarbij het regionale ziekenhuis intensief gaat samenwerken (of fuseren) met een ander ziekenhuis. Er zullen dan onzekerheden en discussies ontstaan over de verdeling van de zorg: welke zorg zal op welke locatie worden geleverd? Dit biedt vele bedreigingen, maar zeker ook kansen. Over die kansen zou ik het met u willen hebben!

Zou het niet een uitgelezen kans zijn om eens te kijken of er een complete omwenteling (en ware revolutie) mogelijk is om uiteindelijk met elkaar te komen tot betere afgestemde zorg rondom de zorgvrager? Ik denk hierbij aan commitment tussen medisch specialisten en huisartsen in de regio, om gezamenlijk te handen ineen te slaan, om betere afgestemde en doelmatige zorg te verlenen. Een organisatie/samenwerkingsvorm waarin medisch specialisten en huisartsen een gedeelde verantwoordelijkheid hebben en alle betrokken artsen de financiële en medische verantwoordelijkheid delen. Er kan sprake zijn van één zorgorganisatie die medisch en financieel verantwoordelijk is of van contracten tussen een hoofdaannemer en onderaannemers.

Ik vind dit een interessante gedachtegang op hoofdlijnen, die zeker nog verder uitgedacht en vormgegeven zal moeten worden met betrokkenen, maar waar men proefondervindelijk zeker tot mooie resultaten zal komen. Durft u het aan “out of the box” te denken en proefondervindelijk met elkaar te komen tot nieuwe vormen van organisatie en bekostiging, met als gezamenlijk doel: de beste zorguitkomsten en gezondheid voor een bepaalde populatie? Ik zit vol met ideeën en denk en doe graag met u mee!

Yvonne van Kemenade (yvankemenade@wxs.nl)

donderdag 7 maart 2013

Welke, wie, wanneer en dan pas waar!

Zorg moet transparanter, meer in samenhang, zinnig en doelmatig worden verleend. Allemaal elementen uit het visiedocument “De Medisch specialist 2015” (hierna te noemen visiedocument) dat ik onderschrijf. Het visiedocument is een hele mooie stap op weg naar een zorgtoekomst waarin we allemaal de juiste zorg, door de juiste beroepsbeoefenaar op de juiste tijd en op de juiste plaats ontvangen. 

Beroepsgroepen moeten de kwaliteit van hun vak in eigen hand houden, zo stelt ook het visie-document. Dit kunnen zij doen door zich proactief op te stellen en zelf te bepalen wat zij goede kwaliteit van zorg vinden in termen van prestatieindicatoren, uitkomstindicatoren, gezondheids-resultaten en dergelijke, en door er zorg voor te dragen dat een ieder zich hieraan conformeert. Dat wil zeggen dat naast het vaststellen van de kwaliteitsnormen de collega-beroepsbeoefenaren ook worden gebenchmarkt. Doen beroepsgroepen dat niet zelf, dan zal het voor hen worden gedaan door bijvoorbeeld de verzekeraar. Ook zal de “zorg meer in samenhang” (meer rondom de patiënt) moeten worden georganiseerd in plaats van rondom de zorgaanbieder. Dat betekent onder andere dat we toe gaan naar op de patiënt afgestemde zorg mede door toedoen van een zorgregisseur. Hierbij wordt samen met de patiënt gekeken naar wat voor de patiënt zinnige zorg is, waarbij ook de keuze van niet behandelen bestaat. Bovenstaande klinkt plausibel en er kan denk ik niemand echt wat tegen hebben. De wetenschappelijke verenigingen kunnen zelf verder aan de slag met (uitkomst-) indicatoren en spiegelinformatie. Maar een element zoals “zorg in samenhang” vraagt om samenwerking met andere beroepsbeoefenaren, binnen en buiten de muren van het ziekenhuis. 

En dan is de vraag: hoé gaan we dat realiseren? De specialisten (zoals verwoord in het visiedocument) zijn voor het opzetten van anderhalvelijnscentra en zijn geen voorstander van integrale bekostiging van de eerste en de tweede lijn, waarbij de ene partij optreedt als hoofdaannemer’ en de andere als ‘onderaannemer’. Hierdoor ontstaan volgens hen financiële drempels die tijdige en adequate doorverwijzing in de weg staan. Ik denk eerlijk gezegd dat juist het opzetten van anderhalvelijnscentra een extra schot (of lijn) kan betekenen. En we moeten nu juist van dat lijn- en domeindenken af. Om “zorg in samenhang” te realiseren moet niet worden gedacht in eerste, anderhalve en tweedelijnscentra, maar in termen van: welke zorg wordt door wie, wanneer geleverd? 
Waar die zorg wordt geleverd en in wat voor soort centrum is een stap die daarna volgt. Daarbij zal de locatie van de zorgverlening afhankelijk zijn over welk soort zorg we het hebben. En hier wordt vaak de denkfout gemaakt! In het visiedocument wordt populatiebekostiging omschreven als: “dat een ziekenhuis een vast budget afspreekt met een zorgverzekeraar voor een heel jaar of zelfs meerdere jaren, waaruit alle ziekenhuiszorg voor de patiënten van de betreffende verzekeraar wordt betaald…..”. Ik ben van mening dat populatiebekostiging inderdaad een optie is om te realiseren dat de juiste zorg door de juiste beroepsbeoefenaar op de juiste tijd en op de juiste plaats georganiseerd worden. Maar dan moet in het visiedocument het woord “ziekenhuis” worden vervangen door “regio/doelgroep”. En u begrijpt nu waarom! 


Deze column is gepubliceerd in Zorgmarkt, nr 12, december 2012, blz 23.


dinsdag 16 oktober 2012

Realise vision on care: Just do it!

In the Netherlands we have a strong primary care. We need to be careful that we do not suffer from the dialectics of progress. Strengthening primary care can be a hindrance to integration with the specialist medical care. Other countries, then the Netherlands, are not familiar with the concepts primary (GP) and secondary care (hospital/specialist medical care). What matters is the coordination of care between the different professional groups under the direction of the GP or medical specialist. The right care should be given on the right place. Crucial is that the professional has no personal interest in the treatment of patients. In one way or another, a common interest should be created, by making a part of the funding dependent on the joint health gains. When thinking about a future vision on care, it is the trick to look into the future and releasing the present at the same time.

I wonder whether it is not wiser to reason from the content of care at first and then start to discuss where that care can be delivered at second? Thinking in terms of strengthening the primary care is incorrect in my opinion. Of course, it is important that the right care is provided on the right place, but it seems better to reason from the content, instead of deciding first where the care is given: primary care or secondary care.

It would be even better to take health gains as a starting point while thinking of the future health care. This requires a lot of data on treatments, outcomes, performance indicators, etc. In the Netherlands we have made a significant step in performance indicators in recent years.
In the U.S. there are already examples of health organisations who think from the principle of health benefits. A good example is the Kaiser Permanente (KP). Based on continuous research, they keep improving continuously. KP has listings of many patients and data. The processes are continuously monitored and improved. This  is something we (in the Netherlands) can learn from.

In various regions we (in the Netherlands) would like to give shape to this way of thinking, working and organizing care. Regional deals can be made among care providers and health insurers in order to provide the best possible quality of care. In this respect contract-arrangements can be made about the individual and collective quality of care to be provided (performance indicators), wherever possible on health gains and improvement. On the basis of demand of care and the care to be delivered, budgets could be divided.

To develop, monitor and continuously improve the quality of care provided, an independent regional quality agency is required. Such an office facilitates the preparation of (evidence-based) care programs, in which all relevant professional groups are participating. If the care programs are established on content, it will be considered/decided by whom care can be supplied at best (in terms of quality and cost).
The regional quality agency visitates, monitors and focuses on improving and supporting health care providers. The principle is shared savings. This means that savings partly diverts back to the professional groups, enabling them to innovate. The other part of the savings is for the insurers, so they can lower premiums, and in addition, the quality agency can be paid.

I would like to develop such a regional pilot with relevant health care providers and insurers in a region in the Netherlands in order to outline a joint panoramic view of the vision on regional care and start making a first step into the agreed direction. Just start and especially persevere, improve and adapt continually on all fronts. Together we step into this adventure, where sometimes ways have to be paved. But if we do not just start without putting over the helm, I'm afraid that nothing crucial will change. I would dare to face this challenge. So I say: Just do it!

(translation of blog "Visie op zorg" published on 2 March 2012)
yvankemenade@wxs.nl

dinsdag 25 september 2012

Kwaliteitsverhoging en kostenverlaging verbeteren vaak simultaan

Kosten kunnen worden gereduceerd door een andere organisatie en bekostiging.
De bijwerking hiervan is dat de kwaliteit van zorg voor de patiënt verbetert........
Betekent wel investeren en doorpakken.

Bijgaand filmpje geeft in het kort de beschreven zorg in de toekomst weer.
De zorgkosten groeien ieder jaar en blijven fors groeien als we zo doorgaan. Door de economische crisis, verkiezingsstrijd en de daaropvolgende kabinetsformatie is beheersbaarheid van de gezondheidszorg onderwerp van verhitte discussies.  Wat mij intrigeert is dat voornamelijk wordt gesproken over korte termijn ad hoc maatregelen, zoals verhoging eigen risico, eigen bijdrage e.d., maar een langere termijn visie ontbreekt.

Wil men de kosten in de zorg kunnen beheersen op de langere termijn (met minstens behoud van de kwaliteit van zorg), dan zal hier een visie aan ten grondslag moeten liggen. Dit betekent dat we zullen moeten nadenken over welke zorg we hoe willen ontvangen, organiseren en bekostigen. Hiervoor zullen cruciale veranderingen in de organisatie en de financiering van de zorg moeten plaatsvinden.

Momenteel is de zorg gefragmenteerd rondom de zorgvrager. Of zoals Dillmann het zo treffend noemt “gefragmenteerde struikelzorg” (FD 21-9-2012). Vooral bij patiënten met een chronische aandoening is dit een groot probleem.  Zij struikelen over de breuklijnen in onze zorgorganisaties, en de daarmee samenhangende financieringssystemen.  
Zorginhoudelijk is onze zorg van hoog niveau. In de totale zorgketen ligt de meerwaarde niet alleen in de kwaliteit van de losse schakels, maar juist in de verbinding, de ketting. De doorontwikkeling van de zorg geschiedt door het zoeken naar verbeteringen in de verbindingen tussen de verschillende zorgfragmenten.

Goede afgestemde zorg rondom de zorgvrager leidt tot efficiency en doelmatigheid. Om in de woorden van Porter en Teisberg te spreken moet zorg gaan over het creëren van meerwaarde voor patiënten[1]. Cruciaal in deze gedachten is dat de zorgaanbieder gericht is op het waarde toevoegen  voor patiënten. Deze “toegevoegde waarde” gaat over het gehele zorgproces rondom de zorgvrager en niet over ingrepen en/of individuele procedures apart. Dit gehele  zorgproces wordt gedefinieerd vanuit het perspectief van de zorgvrager en niet rondom deskundigheden en/of specialismen. Met  “toegevoegde waarde” hebben we het over gezondheidsresultaten die worden gemeten over het totale zorgproces.
Door het constant meten en verbeteren van deze gezondheidsresultaten van het totale zorgproces verbetert de efficiency en kwaliteit van zorg. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een daling van over- of onderbehandeling, persoonlijk leed, medische fouten,  complicaties e.d.. Kwaliteitsverhoging en kostenverlaging verbeteren vaak simultaan.

Deze veranderende focus naar het nemen van verantwoordelijkheid voor het toevoegen van waarde aan het gehele zorgproces kan worden gezien als een logische doorontwikkeling van de huidige situatie. De laatste jaren zijn huisartsen zich steeds meer gaan organiseren en specialiseren (kaderartsen), zijn zorggroepen ontstaan en zijn daarmee gelijkwaardigere gesprekspartners  op inhoud en organisatie geworden voor partners in de zorg. Daarbij zijn de laatste jaren de prestatie-indicatoren (en benchmarks) voor de medisch specialistische zorg en ook de huisartsenzorg sterk in ontwikkeling en worden verbeterd. Daarbij komt dat ziekenhuizen gehouden zijn aan een jaarlijkse groei van 2,5% hetgeen de noodzaak (belang) met zich mee brengt om zorg daar waar het kan te substitueren naar de ambulante (huisartsen)zorg.

Het creëren van een gezamenlijke verantwoordelijkheid van professionals/zorgaanbieders voor de kwaliteit van de zorgprocessen rondom patiënten, zal alleen werkelijkheid worden als de (financiële) incentives hiertoe stimuleren. Zo zullen we met elkaar een bekostigingswijze moeten ontwikkelen, waarbij kwaliteit van de geleverde zorg en de daaraan verbonden (gezondheids)resultaten van totale zorgprocessen rondom patiënten, een belangrijk onderdeel vormt van de contractering. Er moet meer informatie komen over bereikte (behandel/gezondheids)resultaten. Wetenschappelijke verenigingen en andere betrokken organisaties moeten vooral doorgaan met de ontwikkeling van beroepsstandaarden, richtlijnen en protocollen.

Omdat theorie vaak anders uitpakt als de praktijk is het belangrijk klein te beginnen.
Wij kunnen met zijn allen veel en lang praten over hoe we de zorg zouden zien in de toekomst. Natuurlijk moeten we het over de grote lijnen eens zijn en moeten we zorgvuldigheid in acht nemen. Dat neemt niet weg dat we morgen met kleine concrete stapjes kunnen beginnen en met elkaar op weg kunnen gaan  om al werkenderwijs te leren, onderzoeken, monitoren, aan te passen, verbeteren en vooral door te pakken.

Yvonne van Kemenade


[1] zie ook artikelen in Creëren van toegevoegde waarde voor de patiënt (1), Zorgmarkt nr 2 maart 2008 en (2), Zorgmarkt nr 3 april 2008: te downloaden via website van de auteur www.yvonnevankemenade.nl